Er
zijn kindjes die komen en weer moeten gaan, Mijn
grote vraag waar ligt dat aan, Ze
zijn zo geliefd en zo verwacht, Dat
niemand zoiets ooit dacht,
Waarom
mogen zij niet blijven, de pijn het verdriet, God
help ons op weg, ik begrijp het niet, Die
mooie vlinders behoren te leven, We
hebben ze zoveel te geven,
Waarom
mag het niet altijd zo zijn, Waarom
zoveel leed, verdriet en pijn, Ik
wil iets doen om het te verzachten, Meer
dan aan ze denken in gedachten,
Vandaar
dit mooie gedicht, Aan
alle vlindermama’s en papa’s gericht, Ik
krijg het maar niet uit mijn hoofd, Het
voelt soms een beetje verdoofd,
Ik
voel onverschillig en oneerlijkheid, Als
ik geniet van mijn eigen kleine meid, Geluk
gedeeld met vlinderverdriet, Ik
wel, maar waarom zij niet,
Een
antwoord wat bijna niemand vind, Maar
wel wat ik denk als ik kijk naar mijn kind, Hoe
moeten deze ouders zich voelen, Zich
’s nachts door de nachten heen woelen,
Opstaan
met een groot gemis, Dat
lieve kleine ding dat er niet is, Zoveel
liefde, zoveel te geven, Zoveel
willen leren over het leven, Zomaar
ineens gaat het niet door,
Waarom,
Waarom, waarvoor, Moet
jij dit verdriet overkomen en dragen, Ik
durf het God niet meer te vragen, Ik
hoop dat je kracht vind,
En
je vlindertje voelt in iedere wind, Die
altijd langs je wang waait, Alsof
je engeltje je eventjes zacht aait, Want
van alle liefde die jij ze hebt gegeven, Blijven
ze in de wind voor altijd doorleven.